Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

chłopak in Dutch:

1. jongen jongen


Anders dan vogels, die hun jongen voeden en beschermen, verlaten vissen hun kroost.
Ik weet niet zeker aan wie ik dit cadeau moet geven: aan het meisje of aan de jongen?
De jongen zweeg.
De moedige brandweerman redde een jongen uit het brandende huis.
Ik ben te oud om nog met insecten te spelen, zei de jongen.
In haar twintig eerste levensjaren werd ze dikwijls voor een jongen gehouden.
Dit is de jongen die je horloge heeft gevonden.
Als die jongen niet dood was gegaan in het verkeersongeval, was hij nu een student geweest.
Walvissen zijn zoogdieren. Anders gezegd, ze voeden hun jongen met melk.
Zijt ge al verliefd geweest op een jongen?
Ik zag de jongen met bruine schoenen.
De leerkracht liet de jongen naar huis gaan.
De jongen deed zijn sportschoenen aan en liep naar buiten.
Volgens wat zij zeggen kan die jongen heel goed zingen.
Toen ik een kleine jongen was ging ik vaak samen met mijn broer vissen aan de rivier.

2. vent vent


Wat een gekke vent!
Denk je dat hij de vent is die het raam heeft gebroken?
Die vent ziet ze vliegen!
Er zit een schroefje los bij die vent!
Die vent is helemaal gestoord!

3. vriendje vriendje


Nee, dit is niet mijn nieuwe vriendje.
Het luie vriendje van Beth vroeg haar zijn geschiedeniswerk te maken.

4. de vriend de vriend



Dutch word "chłopak"(de vriend) occurs in sets:

Osoby - De personen

5. vriend vriend


Mijn vriend leert Koreaans.
Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
Een kind wordt niet slecht door kattenkwaad, maar door een slechte vriend.
En zo hing Dima's vriend uit zijn kindertijd zomaar op, Dima - net als daarvoor - met 99 kopeke te weinig achterlatend.
Wie van u kan morgen wat geld lenen aan haar vriend?
Ik ben naar het vliegveld geweest om een vriend uit te zwaaien.
Met vriendelijke groeten, voor altijd uw vriend.
Verwijt je vriend niet, want jijzelf verdient het verwijt meer; hij is maar een éénmalige leugenaar terwijl jij nu nog altijd leugenaar bent.
Eten met een gezin in Peking, skilopen met een goede vriend in Polen, met een hartsvriendin in Belgrado wonen - dat zou ik zeker niet gedaan hebben zonder Esperanto.
Ik weet mijn adres nog niet, ik ga een tijdje bij mijn vriend wonen.
De vriend waarmee ik gereisd heb, is sympathiek.
Hij heeft het zijn vriend gered op gevaar van zijn eigen leven.
Onze vriend is als tweede geëindigd in de race.
Een vriend van mij is laatst uitgegleden over een autootje dat zijn zoon had laten slingeren op de trap en heeft toen zijn grote teen gebroken.
Neem je ontbijt alleen, neem het middagmaal met je vriend en geef je avondmaal aan je vijand.