Portuguese Dutch Dictionary

português - Nederlands, Vlaams

juntos in Dutch:

1. samen samen


Ik zou liever alleen naar de bioscoop gaan dan samen met Bob.
We zongen samen de Esperanto-hymne.
Edit vier haar verjaardag samen met haar broer en Suzie.
Deze twee vrienden wandelen altijd samen.
Toen ik een kleine jongen was ging ik vaak samen met mijn broer vissen aan de rivier.
Samen met Groot-Brittannië zou Frankrijk de import van afvalstoffen uit Duitsland kunnen verbieden.
Vanavond hebben we plezier gehad met het samen opstellen van onze stamboom.
Gelukkig reisden zijn ouders uiteindelijk samen.
We moeten samen leren leven als broeders, of we zullen samen sterven als dwazen.
De Canadese Dankzeggingsdag en de Columbusdag in de Verenigde Staten van Amerika vallen samen, daarom maken Esperantosprekers uit beide landen van de gelegenheid gebruik om een internationale bijeenkomst te hebben.
Daarna ontmoetten ze elkaar iedere middag op de kade, ontbeten samen, dineerden, wandelden en bewonderden de zee.
Ik kon des te meer van mijn vrije dag genieten door met jou samen te zijn.
Alleen door alle atoomwapens te verbieden kunnen we allemaal samen de wapenwedloop stoppen.
Laten we ons wel bewust zijn van het belang van deze dag, want vandaag kwamen binnen de gastvrije muren van Boulogne-sur-Mer geen Fransen samen met Engelsen, geen Russen met Polen, maar mensen met mensen.
Jullie moeten samen een mandje appels naar opa brengen, zei moeder. "Jij houdt de ene kant vast, en jij de andere. En zo lopen jullie dan."