Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

poniedziałek in Dutch:

1. Maandag Maandag


Ten laatste maandag is hij terug.
Het is maandag.
Ik zal hier voor maandag zijn.
Zij heeft mij niet op zondag, maar op maandag bezocht.
Het sneeuwde van maandag tot vrijdag.
Ik werk niet op maandag.
Elke maandag waste mevrouw Evans alle kleren van het gezin in de zinken badkuip.
Ze is vaak te laat op school op maandag.
Blijf in bed tot volgende maandag.
Het ticket is geldig tot en met maandag.

Dutch word "poniedziałek"(Maandag) occurs in sets:

dni tyg. miesiące, pory roku
Rozdział III - liczby i czas
dni tygodnia