Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

parking in Dutch:

1. parkeren parkeren


Je mag niet op de stoep parkeren.
Je kan je auto hier niet parkeren.
Ik vroeg hem waar ik de auto kon parkeren.
Meneer, u mag daar niet parkeren.
Vertel me alstublieft waar ik mijn wagen moet parkeren.
Ge moogt de auto niet parkeren in deze straat.
Waar kan ik de auto parkeren?

Dutch word "parking"(parkeren) occurs in sets:

mondeling deel 7

2. de parkeerplaats de parkeerplaats



Dutch word "parking"(de parkeerplaats) occurs in sets:

Dom i życie codzienne (H6+H7)
Lekcja 13-14