Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

leczyć in Dutch:

1. genezen genezen


Dit kan niet volledig genezen worden.
Hij had een kans om te genezen.
De arts heeft zijn ziekte genezen.
Zijt ge al genezen?
Beter voorkomen dan genezen.
Kanker kan genezen worden als het bijtijds ontdekt wordt.
Dit medicijn zal je huidziekte genezen.

2. behandelen behandelen


Het is moeilijk voor mij die zaak te behandelen.
Je moet een aangetaste tand laten behandelen.
Ik wil twee problemen behandelen.
Kan je dat thema een beetje uitgebreider behandelen?
Lucy droomt ervan, dierenarts te worden en dieren te behandelen.

Dutch word "leczyć"(behandelen) occurs in sets:

500 czasowników po niderlandzku 251 - 300

3. te genezen te genezen



4. traktatie traktatie



5. genezing genezing


De priester bad lang voor de genezing van de zieke.
De geneesmiddelen helpen de genezing.