Norwegian Dutch Dictionary

Norsk - Nederlands, Vlaams

langsom in Dutch:

1. traag


Tom stapt traag.
Traag, a.u.b.
De brede rivier stroomt traag.
Ik sprak traag, opdat ze me konden verstaan.
Hoe traag zijt ge toch!
Opa spreekt heel traag.
Volgens een Turks spreekwoord gaan de dagen traag voorbij, maar vliegen de jaren.
Wilt u zo traag mogelijk spreken?