English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

ship in Dutch:

1. schip schip


Het schip zinkt!
Zie je een schip aan de horizon?
Als het schip lek is, gaan de ratten van boord.
Het schip vaarde door het Suezkanaal.
De bemanning verliet het schip.
Ze noemden het schip "Mayflower".
De kameel is het schip van de woestijn.
Een groot schip kwam tevoorschijn aan de horizon.
Hij stapte uit het schip en verdronk.
Het schip uit New York zal daar vlug zijn.
Aan het stuur van dit schip staat een hond.
Het schip vervoert grondstoffen vanuit Indonesië.
Het schip verliet de haven, en men heeft het nooit meer teruggezien.
Dit schip heeft geen radar.
In een schip zitten is in de gevangenis zitten, met de kans op verdrinken.

Dutch word "ship"(schip) occurs in sets:

Vervoermiddelen in het Engels
2000 Most Used Dutch Words (1/2)

2. het schip het schip



Dutch word "ship"(het schip) occurs in sets:

De populairste Engelse woorden 701 - 750
Most common Dutch words 501 - 550