English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

disease in Dutch:

1. ziekte ziekte


Hoe weet je dat de patiënt de ziekte niet veinst?
De patiënt overwon eindelijk zijn ziekte.
Hij heeft mijn ziekte aangepakt.
Het leven is een seksueel overdraagbare dodelijke ziekte.
Botulisme, brucellosen, de ziekte van Lyme en tetanos zijn infectieziekten, maar niet besmettelijk.
Eigenliefde is ook een ziekte.
Hij zal snel weer herstellen van zijn ziekte.
Wegens je ziekte mag je nu geen geslachtgemeenschap hebben!
Wat voor ziekte heb ik?
Wegens een ziekte kon ik niet naar het buitenland gaan.
Door mijn ziekte ben ik niet vertrokken.
Ze kan de lessen niet bijwonen vanwege ziekte.
Een allergevaarlijkste ziekte is gebrek aan wijsheid.
Hij was afwezig wegens ziekte.
De moeder werd verteerd door een ziekte.