English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

bridge in Dutch:

1. brug brug


De brug is nog steeds in aanbouw.
Lang geleden was hier een brug.
Hoe lang is die brug?
Deze brug lijkt stevig.
Zijn huis staat aan de andere kant van de brug.
De soldaten stonden op wacht bij de brug.
Het was donker onder de brug.
Haar huis bevindt zich over de brug.
Voor een vijand op de vlucht bouw je met plezier een brug.
De brug is in aanbouw.
Er bestaan duizenden talen in de hele wereld, maar één enkele is de brug naar alle sprekers ervan.
De brug was weggespoeld door de overstroming.
De brug is heel lang en heel hoog.
Deze brug werd twee jaar geleden gebouwd.
Zij bouwden een brug.

Dutch word "bridge"(brug) occurs in sets:

Hoofdstuk 3&4 Nederlands-Engels

2. de brug de brug



Dutch word "bridge"(de brug) occurs in sets:

DENTIST TERMINOLOGY / TERMINOLOGIE TANDARTS